Rechter Amsterdam stelt bonden in het gelijk tegen het ABP

De kort gedingrechter in Amsterdam heeft de bonden in het gelijk gesteld in hun rechtszaak tegen het ABP. De belangrijkste eisen van de bonden zijn toegewezen. De eisen die door het ABP zijn ingesteld als reactie daarop  zijn door de rechter afgewezen. Wij zijn blij met de uitspraak zelf, maar meer nog met de onderbouwing van de rechter.

In de rechtszaak tegen het ABP staat de vraag centraal of de communicatie van het ABP onrechtmatig is. Het ABP verteld onze leden al een tijd lang dat per 1 januari 2019 definitief een middelloonregeling zal gelden. De rechter splitste die centrale vraag in de uitspraak op in een aantal deelvragen.

  • Staat vast dat vanaf 1 januari 2019 uitsluitend een middelloonregeling geldt?
  • Kan en mag het ABP zelf beslissen een eventueel door de werkgever en werknemers overeen te komen eindloonregeling niet uit te voeren?
  • Zijn er gronden om het ABP te ontheffen van een eventuele verplichting tot uitvoering van een eindloonregeling.

Geldt vanaf 1 januari 2019 een middelloonregeling?
De rechter laat weten kennis te hebben genomen van de uitspraak van de rechter in Den Haag in het kort geding van de bonden tegen defensie. Hij stelt echter ook vast dat het onbekend is wat de inhoud van een per 1 januari 2019 geldende (definitieve) pensioenregeling is. Het ABP weet dit. Deels omdat zij bij het proces betrokken zijn geweest. Maar ook omdat uit de woorden die op papier zijn gekomen niet vaststaat dat een nieuwe regeling per se een middelloonkarakter zal hebben.

De rechter oordeelt dat het onrechtmatig van het ABP is om te communiceren dat er vanaf 1 januari 2019 al een regeling met een middelloonkarakter is.

Mag ABP zelf besluiten een eindloonregeling niet uit te voeren?
De rechter stelt vast dat sociale partners gaan over de inhoud van de pensioenregeling en dat dit door het ABP niet bestreden wordt. De rechter erkent dat een pensioenuitvoerder zelfstandig dient te toetsen of de pensioenregeling die wordt overeengekomen op een beheerste en integere wijze kan worden uitgevoerd. Als dat niet het geval is, kan de uitvoerder, dus in dit geval het ABP, weigeren om die regeling uit te voeren. De rechter heeft gekeken of het mogelijk is dat een pensioenregeling voor militairen met een eindloonkarakter, zoals die van 2018, door het ABP goed en verantwoord kan worden uitgevoerd.

In de rechtszaak zijn door zowel het ABP als de bonden adviezen van deskundigen ingebracht. In het advies van het bureau dat ABP heeft ingeschakeld staat te lezen dat de uitvoering van een regeling met een eindloonkarakter niet eenvoudig is en tijd kost, “maar wel uitvoerbaar zal zijn”. In het advies van het door de bonden ingeschakelde bureau staat dat zij geen bepalingen kunnen ontdekken die een passende geautomatiseerde oplossing tegenhouden.

ABP heeft daarom volgens de rechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk of onverantwoordelijk zou zijn om ook over 2019 dezelfde berekeningen uit te voeren als in 2018.

De rechter heeft beslist  dat er daarom onvoldoende reden is voor het ABP om op basis van de wet uitvoering van een regeling met een eindloonkarakter te weigeren.

Kan van het ABP uitvoering van een eindloonregeling redelijkerwijs worden gevraagd?
Het ABP heeft gezegd dat het ontwikkelen van een geautomatiseerd uitvoeringssysteem of het voortzetten van het bestaande systeem teveel kost. En dat voor een deelnemersbestand van 5 % van het totale ABP-bestand. De rechter maakt daar snel korte metten mee. Het bestand (gewezen) militairen is dusdanig groot dat zij in de top 25 zouden staan van pensioenfondsen in Nederland, als ze een eigen fonds waren. Al die andere (kleinere) fondsen moeten ook voor een goede uitvoering zorgen en kunnen dat, ondanks hun omvang. Het ABP heeft er zelf voor gekozen om voor de eindloonregeling geen eigen duurzaam systeem op te zetten en dat heeft het ABP op eigen risico gedaan. Ook nadat de toezichthouders duidelijk hadden gemaakt dat er iets moest gebeuren, heeft het ABP volgens de rechter niet op een juiste wijze gereageerd.

ABP handelt onrechtmatig.
De kort geding rechter komt tot de conclusie dat het ABP in haar communicatie onrechtmatig handelt. Zij stellen iets, namelijk het bestaan van een middelloonregeling per 2019, dat er niet is. En dat mag niet.

Het ABP moet zich onthouden van mededelingen en/of handelingen waardoor deelnemende (oud)militairen denken dat de pensioenregeling voor militairen geen eindloonregeling meer is.

Het ABP moet ook het verspreiden van berichten dat de pensioenregeling voor militairen vanaf 2019 een middelloonregeling is staken en gestaakt houden. Als het ABP zich daar niet aan houdt, moet het ABP een dwangsom betalen.

Voor de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam klik hier.